Geliefde broeders en zusters,
De Veertigdagentijd is de tijd waarin de Kerk ons met moederlijke zorg uitnodigt om
het mysterie van God opnieuw in het middelpunt van ons leven te plaatsen, opdat
ons geloof een nieuw elan vindt en ons hart zich niet verliest in de onrust en de
afleidingen van iedere dag.
Iedere weg van bekering begint op het moment dat wij ons laten bereiken door het
Woord en dat ontvangen met een volgzame geest. Er is dus een verband tussen de
gave van het Woord van God, de ruimte van gastvrijheid die wij het Woord bieden,
en de verandering die het te weeg brengt. Daarom wordt de route van de
Veertigdagentijd een geschikte gelegenheid om te luisteren naar de stem van de
Heer en de beslissing om Christus te volgen te vernieuwen door met Hem de weg af
te leggen die naar Jeruzalem voert: daar voltrekt zich het mysterie van zijn lijden,
dood en verrijzenis.
Luisteren
Dit jaar zou ik op de eerste plaats weer de aandacht willen vestigen op het belang
om ruimte te geven aan het Woord door te luisteren, omdat de bereidheid om te
luisteren het eerste teken is van het verlangen om een relatie aan te gaan met de
ander.
Door zich aan Mozes vanuit het brandende braambos te openbaren laat God zelf
zien dat luisteren een kenmerk is van zijn wezen: “Ik heb de ellende van mijn volk in
Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord” (Ex. 3, 7).
Luisteren naar de kreet van de onderdrukte is het begin van een geschiedenis van
bevrijding, waarbij de Heer ook Mozes betrekt door hem uit te nodigen om een
heilzame weg te openen voor zijn tot slaaf gemaakte kinderen.
Het is een God die erbij betrekt, die vandaag ook ons bereikt met gedachten die zijn
hart raken. Daarom voedt het horen van het Woord in de liturgie ons op tot een
waarachtiger luisteren naar de realiteit: onder de vele stemmen die in ons
persoonlijke en maatschappelijke leven klinken, stellen de Heilige Schriften ons in
staat de stem, opstijgend uit het lijden en de ongerechtigheid, te herkennen, opdat
die niet zonder antwoord blijft. Zo’n innerlijke houding van ontvankelijkheid betekent
zich vandaag door God te laten instrueren om te luisteren zoals Hij, zodat men
erkent dat de “toestand van de armen een kreet is die in de geschiedenis van de
mensheid voortdurend vragen aan ons leven, aan onze maatschappijen, politieke en
economische systemen, en niet als laatste ook aan de Kerk, stelt”.1
Vasten
Als de Veertigdagentijd een tijd van luisteren is, dan is vasten een concrete manier
die ons in de juiste gemoedstoestand brengt om het Woord van God te ontvangen.
Onthouding van voedsel is immers een zeer oude en onvervangbare ascetische
oefening op de weg van de bekering. Juist omdat het het lichaam erbij betrekt, maakt
het dat waar wij naar “hongeren” duidelijker net als wat wij als noodzakelijk
beschouwen voor ons levensonderhoud. Het helpt er daarom bij om de “begeerten”
te herkennen en te ordenen, de honger en dorst naar de gerechtigheid waakzaam te
houden door zich daar niet bij neer te leggen. Het helpt om het zo in te richten dat
vasten een tijd van gebed en verantwoordelijkheid voor de naaste wordt.
De heilige Augustinus geeft ons met geestelijke verfijndheid zicht op de spanning
tussen de tegenwoordige tijd en de toekomstige vervulling die deze bewaking van
het hart kent, wanneer hij opmerkt: “In de loop van het aardse leven komt het de
mens toe honger en dorst naar de gerechtigheid te hebben, maar hierin bevredigd te
worden, behoort tot het andere leven. De engelen verzadigen zich aan dit brood,
deze spijs. De mensen hongeren er daarentegen naar, zij zien er allen reikhalzend
naar uit. Dit reikhalzend ernaar uitzien verruimt de ziel, vergroot het vermogen
ervan”.2 Vasten, in deze zin verstaan, staat het ons toe niet alleen het verlangen te
reguleren, te zuiveren en vrijer te maken, maar ook uit te breiden, en wel zo dat het
zich tot God keert en erop is gericht het goede te doen.
Om de evangelische waarheid van vasten te bewaren en de verleiding om het hart
trots te maken te vermijden, moet het altijd in geloof en nederigheid worden beleefd.
Dat vraagt erom geworteld te blijven in de gemeenschap met de Heer, omdat “wie
zich niet met het Woord van God weet te voeden, niet werkelijk vast”.3 Als zichtbaar
teken van onze innerlijke inzet om ons met behulp van de genade te onttrekken aan
de zonde en aan het kwaad, moet vasten ook andere vormen van onthechting
insluiten die erop gericht zijn een soberdere levensstijl te verkrijgen, omdat “alleen
soberheid het christelijk leven sterk en authentiek maakt”.
Daarom zou ik u willen uitnodigen tot een zeer concrete en vaak weinig
gewaardeerde vorm van onthouding, te weten die waarbij men zich onthoudt van
woorden die onze naaste treffen en kwetsen. Laten wij beginnen met onze taal te
ontwapenen door af te zien van scherpe woorden, een onmiddellijk oordeel,
kwaadspreken over wie niet aanwezig is en zich niet kan verdedigen, laster. Laten
wij ons inspannen om onze woorden zorgvuldig te leren kiezen en vriendelijk te zijn:
in het gezin, onder vrienden, op de werkplek, in de social media, in het politieke
debat, in de communicatiemiddelen, in de christelijke gemeenschappen. Dan zullen
vele woorden van haat plaats maken voor woorden van hoop en vrede.
Samen
De Veertigdagentijd brengt ten slotte de gemeenschappelijke dimensie naar voren
van luisteren naar het Woord en het vasten. Ook de Schrift onderstreept dit aspect
op veel manieren. Bijvoorbeeld wanneer zij in het boek Nehemia vertelt dat het volk
zich verzamelde om te luisteren naar de publieke lezing van het wetboek en zich
door te vasten in de juiste gesteldheid bracht voor het belijden van het geloof en de
aanbidding, zodat het verbond met God vernieuwd kon worden” (Neh. 9, 1-3).
Op dezelfde manier zijn onze parochies, gezinnen, kerkelijke groepen en religieuze
gemeenschappen geroepen om tijdens de Veertigdagentijd een gedeelde weg af te
leggen, waarbij het luisteren naar het Woord van God, evenals naar de kreet van de
armen en van de aarde, een vorm van gemeenschappelijkheid wordt en vasten de
basis is voor oprecht berouw. Tegen deze achtergrond gaat het bij bekering niet
alleen om het geweten van het individu, maar ook om de kwaliteit van relaties en van
de dialoog, en om het vermogen om zich te laten uitdagen door de realiteit en te
erkennen wat het verlangen werkelijk richting geeft, hetzij in onze kerkelijke
gemeenschappen, hetzij in de mensheid die dorst naar gerechtigheid en verzoening.
Geliefden, vragen wij van de genade van de Veertigdagentijd dat deze ons met meer
aandacht naar God en de minsten doet luisteren. Vragen wij om de kracht van een
vasten waarvan ook onze taal doordrongen is, zodat woorden die kwetsen afnemen
en de ruimte voor de stem van de ander groeit. En laten wij ons ervoor inzetten dat
onze gemeenschappen een plek worden waar de kreet van wie lijdt, gehoord wordt
en het luisteren wegen van bevrijding opent door ons bereidwilliger en sneller te
maken in het meebouwen aan de beschaving van de liefde.
Ik zegen u allen en uw weg in de Veertigdagentijd van harte.
Uit het Vaticaan, 5 februari 2026, gedachtenis van de heilige Agata, maagd en
martelares.
Leo PP. XIV
Vertaling: drs. H.M.G. Kretzers
Eindredactie: A. Kruse, MA
Copyright: Libreria Editrice Vaticana/SRKK